Kylièn Sarino Bergh 07.03.2026
‘Wist je dat—’, initieerde Gogo het gesprek. ‘Oh nee, niet dat weer!’, onderbrak Didi. ‘Je snapt toch ook wel dat ik al die onzin en complottheorieën zat ben’, 1 sprak ze met een toon van sarcasme en scepsis.‘Maar—’, drong hij aan,‘hoe weet je dat het niet waar is?’ 2
1. Geloofwaardigheid staat onder druk. Terwijl onze communicatiemiddelen sterk geprivatiseerd zijn en worden onderworpen aan de logica van de liberale marktideologie en het domein van het technofeodalisme, is ons publieke domein verzadigd met tegenstrijdige berichten, misinformatie, desinformatie, deepfakes en complottheorieën. Als gevolg hiervan brokkelt het geloof in – en het respect voor – een enkelvoudig waarheidsbegrip af. Dit maakt de weg vrij voor politiek wantrouwen en maatschappelijke polarisatie. De mainstream media worden voortdurend uitgedaagd door vluchtige en onvoorspelbare nieuwsstromen die via digitale media netwerken worden verspreid. Soms terecht, maar soms is het ook goed om ons af te vragen wat nu echt betrouwbare informatie is.
2. We leven in een tijdperk van post-truth, ofwel, voorbij de waarheid. Deze term duidt erop dat massamedia tegenstrijdige realiteiten verkondigt. De waarheid is ondergeschikt geraakt aan eigen ideologieën, identiteit of emoties. Ralph Keyes betoogt in zijn boek The Post-Truth Era: Dishonesty and Deception in Contemporary Life (2004), dat de hedendaagse samenleving oneerlijkheid zo heeft genormaliseerd dat bedrog niet alleen geaccepteerd, maar zelfs verwacht wordt in zowel publieke als private communicatie. Op vergelijkbare wijze zien we hoe massamedia een verdachte relatie tussen beeld en politiek creëert, zoals Naomi Biasetton aantoont in Superstorm: Design and Politics in the Age of Information (2024).
3. De opkomst van betaalbare en digitale productietechnieken in de twintigste eeuw – zoals desktop publishing en de online verspreiding van tekst – heeft de toegankelijkheid van informatie vergroot, maar tegelijkertijd ondermijnt het de betrouwbaarheid ervan. Traditioneel gezien bemiddelden communicatieve praktijken zoals grafisch ontwerp in deze informatie-uitwisseling. Het bepaalde de manier waarop informatie werd gepresenteerd en daarmee de geloofwaardigheid van zowel de zender als de boodschap. Nieuwe digitale communicatiemiddelen democratiseren de verspreiding van informatie echter, en vervagen daarmee tegelijkertijd de grens tussen feit en mening. De journalistiek heeft bijvoorbeeld grote moeite om haar kritische vermogen te behouden binnen de infrastructuur van de hedendaagse media, die draait op clicks en entertainment. Hoe kan grafisch ontwerp nog steeds bijdragen aan de geloofwaardigheid van communicatie en informatie in tijden van politiek wantrouwen, polarisatie, deepfakes en complottheorieën?
4. In het post-truthperk volstaan noch informatie noch autoriteit om geloofwaardigheid te garanderen. De overdracht van communicatie is onlosmakelijk verbonden met hoe de ontvanger deze interpreteert, zoals Roland Barthes al zo treffend stelde in The Death of The Author (1967). Daarom moeten we bij het overbrengen van informatie niet alleen rekening houden met de geloofwaardigheid. In plaats daarvan zou grafische vormgeving ook kunnen pogen een reflectie te zijn van hoe informatie is verkregen: door bronnen bloot te leggen, relaties tussen informatiebronnen te tonen, of te onthullen met welk doel en door wie de informatie wordt weergegeven. Op die manier verandert informatie van een vaststaand gegeven naar een open redeneerproces waar de lezer bij wordt betrokken. Dit brengt ons bij de vraag welke middelen ter beschikking staan om informatie als een relationele structuur aan te bieden.
5. Binnen academische kringen – een wereld die bij uitstek geobsedeerd is met bewijsvoering – worden voetnoten beschouwd als de grammatica van het bewijs. Ze leggen de basis van het argument of de observatie bloot en getuigen tegelijkertijd van de auteurs’ expertise. Zo beschrijft Anthony Grafton ze in The Footnote: A Curious History (1997) als een merkwaardige soort die voortkomt uit de wetenschappelijke ambitie om de waarheid te construeren. Belangrijker nog is dat noten informatie transparant en traceerbaar maken.
6. Voetnoten hebben echter hun eigen specialistische grammatica. Het gebruik ervan als bewijsmiddel is diep geworteld in de geschiedenis van het geschreven woord. De marges van oude en middeleeuwse manuscripten bevatten bijvoorbeeld vaak aantekeningen, commentaren, kruisverwijzingen of verklarende opmerkingen; die volgens Grafton als proto-voetnoten kunnen worden beschouwd. Het was echter tijdens de Renaissance – met de opkomst van de drukpers, die vervolgens leidde tot de standaardisering van pagina-indelingen – dat voetnoten zich ontwikkelden tot een intellectueel middel om bronnen te onthullen. In de bijlage vermeld als preuves (bewijsstukken), werden ze in de loop van de 19e en 20e eeuw geleidelijk aan ingeperkt door de academische standaardisering van citatiestijlen, met het oog op het controleren van feiten en proeflezen. Doordat ze gebonden zijn aan de conventies van het geschreven woord zijn voetnoten onvermijdelijk binnen de academische wereld. Dit roept vragen op over hun mate van inclusiviteit en toegankelijkheid. Sterker nog, hoe kunnen academische methoden nog geloofwaardigheid claimen wanneer bij voorbaat aan autoriteiten getwijfeld wordt?
7. De voetnoot heeft echter de potentie om informatie als een relationeel construct te presenteren. Zoals Grafton stelt: tekst overtuigt, noten bewijzen. (15) Op die manier transformeren noten informatie in een transparant en traceerbaar spoor. De genoteerde informatie is geen statisch of verborgen gegeven, maar wordt blootgelegd en verifieerbaar. Voetnoten leveren dus niet alleen bewijs, maar presenteren informatie als een netwerk van relationele en traceerbare beweringen.
8. In digitale omgevingen nemen noten vaak de vorm aan van klikbare links; ze duiden op een specifieke opmaak taal en tekst gebaseerd coderingssysteem, bekend als hypertext. Als tekstuele verwijzingen bieden noten dus interactieve en verwijzende content. Hyper, afkomstig van het Griekse voorvoegsel ὑπερ, suggereert ‘over’ of ‘voorbij’ gaan en overstijgt de traditionele lineaire beperkingen van geschreven tekst. Hypertext transformeert de taal daarmee in een niet-sequentiële kruisverwijzing.
9. Het creëren van associatieve verbanden biedt de ontwerper van de tekst de mogelijkheid om deze als een open werk te beschouwen en communicatie mogelijk te maken als netwerken van transparante bronnen en aanvullende inhoud. Philipp Heidkamp stelt dat ontwerpers de taak hebben om de inhoud te structureren, de verbanden te bepalen en de navigatie via de niet-lineaire organisatie van informatie gemakkelijk herkenbaar en intuïtief te maken.’ Door noten te zien als een instrument voor kruisverwijzingen, kunnen we ontwerp beschouwen als een benadering om informatie weer te geven als een constellatie, in plaats van als een middel tot een doel.
10. In onze sterk gepolariseerde samenleving kan echter de vormgeving alleen niet het vertrouwen herstellen, noch de verspreiding van desinformatie tegengaan. Als een methode ontwikkeld zou worden om geloofwaardigheid vast te stellen, zou het binnen de kortste keren tegen zichzelf gebruikt worden. In plaats daarvan zullen we allemaal ons steentje moeten bijdragen aan het leren omgaan met (des)informatie – wat waarschijnlijk meer afhangt van mediageletterdheid dan alleen van grafisch ontwerp. We moeten onze pijlers dus niet alleen richten op het ontwikkelen van ontwerpbenaderingen, maar ook op hoe deze worden ontvangen door degenen die er betekenis aan proberen te geven. Dit was precies het probleem voor de postmoderne ontwerpers die de lineariteit en eenzijdigheid van visuele communicatie wilden doorbreken. Het resulteerde in gelaagde communicatie die te complex was om te begrijpen voor een publiek dat gewend was aan de werkwijze van massamedia waarin mensen werden behandeld als passieve toeschouwers. Toch kan het vertrouwd raken met de structuren en intenties van desinformatie, door middel van microdosering en ontkrachting, ons helpen de verspreiding en de effecten ervan beter te begrijpen en te bestrijden, zoals Sander Van der Linden betoogt in Foolproof (2023).
11. Hoewel grafisch ontwerp onvermijdelijk een rol speelt in de bemiddeling van informatie, is het duidelijk geworden dat noch waarheid, noch vertrouwen vanzelfsprekend zijn. Daarom is het relevant om na te denken over hoe ontwerp uitwisselingen, verbindingen en dialogen kan bevorderen, om zo eindelijk te streven naar de inclusie van diverse stemmen en de vertegenwoordiging van uiteenlopende perspectieven in ons publieke domein. Dit onderstreept de noodzaak om na te denken over de retoriek van ontwerp. Het gaat niet alleen om het eigenlijke argument of de reden, maar dwingt ons ook na te denken over door wie het wordt geformuleerd en waarom we erom zouden moeten geven. In een tijd van post-truth-polarisatie en de opkomst van het fascisme, zou grafisch ontwerp ernaar moeten streven rigide, bevooroordeelde en eenzijdige informatiestromen te openen voor empathische vormen van communicatie. Informatie moet transparant en traceerbaar zijn. Noten zijn slechts één manier om aan te tonen dat de waarheid veelzijdig en verifieerbaar is. Andere manieren moeten gaandeweg worden ontdekt.